De Franse cinema heeft een uitgesproken persoonlijkheid — ze neemt zichzelf serieus, maar nooit zonder ironie. Ze vereert haar sterren, maar verwacht ook dat ze iets te zeggen hebben. Het is misschien geen toeval dat juist Frankrijk zo’n reeks buitengewone acteurs heeft voortgebracht: mannen die meer waren dan hun uiterlijk, ook als dat uiterlijk bijzonder goed was. Hier zijn de tien grootste.

Hier zijn de 10 beste Franse acteurs aller tijden.

1. Jean-Paul Belmondo – De koning van de Franse cool

Er zijn acteurs die mooi zijn en acteurs die interessant zijn. Jean-Paul Belmondo was het allebei, maar op een manier die nooit gewild leek. Zijn neus was gebroken, zijn glimlach scheef, zijn bewegingen losjes — en toch kon je nauwelijks van hem afkijken. Toen Jean-Luc Godard hem in 1960 castte in À bout de souffle was dat een provocatie: dit was geen klassieke filmheld. Dit was een dief die sigaretten rookte en Humphrey Bogart nadeed in de spiegel. Het publiek was verkocht.

Belmondo bleef decennia relevant door te blijven bewegen. Letterlijk — hij deed zijn eigen stunts lang nadat andere sterren daarmee gestopt waren, in actiefilms als L’Homme de Rio (1964) en Le Professionnel (1981). Maar hij kon ook stil zijn. In Le Magnifique (1973) parodieerde hij zijn eigen imago met een zelfbewustzijn dat veel acteurs niet hebben. Hij begreep zichzelf, en dat maakte hem groter.

2. Alain Delon – De belichaming van Franse elegantie

Alain Delon was gevaarlijk knap. Niet op een vriendelijke manier — op een manier die je deed afvragen wat er achter die ogen zat. Jean-Pierre Melville begreep dat als geen ander: in Le Samouraï (1967) zette hij Delon neer als een huurmoordenaar die nauwelijks praat, nauwelijks beweegt, en toch elke scène domineert. Het is misschien de meest perfecte casting in de geschiedenis van de Franse cinema.

Delon was ook breder dan zijn kilheid deed vermoeden. In Plein soleil (1960) speelde hij een meesteroplichter met een glimlach die je niet helemaal vertrouwde. In La Piscine (1969)  samen met Romy Schneider, zijn grote liefde  simmerde de spanning tussen hen zo echt dat het bijna oncomfortabel werd om naar te kijken. Zijn privéleven was ingewikkeld, zijn politieke uitspraken op latere leeftijd omstreden. Maar de films blijven onweerlegbaar.

3. Gérard Depardieu – De meest veelzijdige Franse acteur

Gérard Depardieu is een van die acteurs over wie je twee dingen tegelijk kunt denken: wat een talent, en wat een rommelig mens. Zijn carrière omspant meer dan 200 films  en toch zijn er tientallen bij die werkelijk tellen. In Le Dernier Métro (1980) van Truffaut was hij ingetogen en kwetsbaar. In Cyrano de Bergerac (1990) groot en hartverscheurend. In Jean de Florette (1986) speelde hij een naïeve idealist die langzaam gebroken wordt, en je geloofde elk moment.

Zijn overstap naar Hollywood met Green Card (1990) leverde hem een Golden Globe op. Zijn latere jaren zijn minder glorieus geweest — controverses, belastingvlucht, ernstige beschuldigingen. Maar als je de cinema bekijkt die hij heeft voortgebracht in zijn beste jaren, is zijn plek op dit lijstje onaantastbaar.

4. Louis de Funès – De grootste Franse komiek aller tijden

Louis de Funès is het bewijs dat komedie een vak is dat de meeste mensen onderschatten. Hij was klein, kalend, en bezat een gezicht dat leek gemaakt om emoties tien keer groter te maken dan ze moesten zijn. Zijn techniek was die van een orkestdirigent: timing, escalatie, het perfecte moment om een uitbarsting te laten komen die je al drie scènes zag aankomen maar toch als een verrassing voelde.

In La Grande Vadrouille (1966) speelde hij tegenover Bourvil in wat de bestbezochte Franse film ooit werd. Le Gendarme de Saint-Tropez (1964) maakte van hem een nationaal symbool. L’Aile ou la Cuisse (1976) bewees dat hij op zijn zestigste niets aan energie had verloren. Hij overleed in 1983, op het hoogtepunt van zijn roem. Frankrijk rouwde alsof het een vriend verloren had. Dat was ook zo.

5. Michel Piccoli – De meester van het psychologische drama

Als er een acteur is die de intellectuele zijde van de Franse cinema belichaamt, is het Michel Piccoli. Hij werkte met Godard, Buñuel, Malle en Ferreri, een selectie van regisseurs die al genoeg zegt over zijn smaak. In Le Mépris (1963) speelde hij naast Brigitte Bardot als de schrijver die zijn huwelijk ziet afbrokkelen; zijn gelatenheid in die film is bijna ondraaglijk precies. In Belle de Jour (1967) en La Grande Bouffe (1973) was hij bereid om lelijk, zwak of beschamend te zijn — iets wat veel acteurs van zijn kaliber vermijden.

Piccoli bleef tot op hoge leeftijd actief en onderscheidend. Hij overleed in 2020, 94 jaar oud. Zijn filmografie is een handleiding voor iedereen die wil begrijpen wat Franse cinema ooit bedoelde te zijn.

6. Jean Gabin – De oergrootheid van de Franse cinema

Voor Belmondo, voor Delon, voor allemaal, was er Jean Gabin. Hij was dé Franse filmster van de jaren ’30, stoïcijns en zwaar als een blok beton, met een gezicht dat leek te zeggen dat hij alles al meegemaakt had en nergens meer van schrok. Regisseur Jean Renoir begreep hem het best: in La Grande Illusion (1937) speelde hij een werkman die zich tegenover de aristocratie nooit klein laat maken.

Gabins loopbaan liep na de oorlog even vast, maar hij keerde terug met Touchez pas au grisbi (1954) en domineerde daarna opnieuw de Franse misdaadfilm voor nog eens twintig jaar. Twee generaties publiek kenden hem. Hij is, in de meest zuivere betekenis, de grondlegger van wat we het Franse filmimago zijn gaan noemen.

7. Vincent Cassel – De moderne Franse filmster met internationale status

Vincent Cassel
lucacavallari / Shutterstock.com

Vincent Cassel is het soort acteur dat je het gevoel geeft dat hij ieder moment iets onverwachts kan doen . Hij brak in 1995 door met La Haine, Mathieu Kassovitz’ brullende film over de Parijse banlieue, en was daarin zo aanwezig en echt dat het bijna documentair aanvoelde.

Wat volgde was een carrière die moeiteloos schakelde tussen Gaspar Noés provocerende Irréversible (2002), het griezelige psychologische drama Black Swan (2010) naast Natalie Portman, en de Mesrine-diptiek (2008) — twee films over de beruchte Franse crimineel waarbij Cassel zijn rol zo volledig omarmde dat het bijna enger was dan de echte Mesrine. Hij woont nu in Brazilië, trouwde tweemaal spectaculair en lijkt zijn leven te leven met dezelfde intensiteit als zijn filmrollen. Of dat goed voor hem is, is een tweede. Het levert wel goede interviews op.

8. Jean-Louis Trintignant

Trintignant was de meester van het weglaten. Waar andere acteurs hun emoties uitbeeldden, hield hij ze in — en juist daardoor voelde je ze harder. In Un Homme et une Femme (1966) van Claude Lelouch speelde hij een weduwnaar die langzaam zijn hart weer opent; het is een film die op papier sentimenteel klinkt maar het nooit wordt, dankzij zijn ingehouden aanwezigheid.

Decennia later, op zijn tachtigste, speelde hij in Michael Hanekes Amour (2012) een man die zijn stervende vrouw verzorgt. Het is een van de moeilijkste rollen denkbaar, en Trintignant speelde hem zonder één vals moment. De film won de Palme d’Or. Hij mocht er nauwelijks over praten — zijn dochter Marie was kort daarvoor vermoord door haar toenmalige partner. Dat hij die film überhaupt afmaakte zegt iets over hem wat geen recensie kan vatten.

9. Philippe Noiret – De melancholische grootmeester

Philippe Noiret had iets vaderlandslievends over zich — niet in de politieke zin, maar in de menselijke. Hij was groot, zacht, een beetje treurig altijd, en je geloofde hem meteen als iemand die het leven had meegemaakt. In Cinema Paradiso (1988) speelde hij de oude projectionist Alfredo, en zijn aanwezigheid is de emotionele ruggengraat van die film. Dat Noiret Italiaans speelde voor een Italiaanse regisseur zegt genoeg over hoe universeel hij was.

Zijn beste Franse films, Le Vieux Fusil (1975), waarvoor hij een César won, en Coup de Torchon (1981), laten zien hoe breed zijn register was. Hij kon warm zijn en koud, grappig en meedogenloos. Een acteur voor wie je nooit de woorden “te groot” of “te klein voor deze rol” zou gebruiken.

10. Omar Sy – De nieuwe ster van de Franse cinema

Motorsport Photography F1 / Shutterstock.com

Omar Sy is in minder dan vijftien jaar uitgegroeid van tv-komiek tot internationale filmster, en dat is geen toeval. In Intouchables (2011) speelde hij een ex-gedetineerde die wordt aangesteld als verzorger van een rijke verlamde man — een premisse die in minder goede handen pijnlijk clichématig had kunnen worden. Sy maakte er iets oprechts van: zijn energie, zijn timing, zijn lichaamstaal zorgden ervoor dat je de film geloofde.

Intouchables werd de bestverkochte niet-Engelstalige film ooit in Duitsland en brak records in heel Europa. Hollywood volgde snel, met rollen in Jurassic World (2015) en The Call of the Wild (2020). Maar zijn beste werk in die periode is misschien de Netflix-serie Lupin, waarin hij het meesteroplichterarchetype volledig naar zijn hand zet. Hij is vijftig, populairder dan ooit, en er is geen reden om aan te nemen dat het hier ophoudt.

Van klassieke iconen tot moderne supersterren

Wat deze tien acteurs gemeen hebben is dat ze de grenzen van hun genre telkens iets verder hebben verlegd. Gabin definieerde wat een Franse held kon zijn. Belmondo maakte hem losser. Delon maakte hem gevaarlijker. Trintignant maakte hem stiller. En Cassel en Sy hebben inmiddels bewezen dat er geen enkel sjabloon meer nodig is.

Van de grijze elegantie van Jean Gabin tot de moderne bravura van Omar Sy — dit zijn de mannen die de Franse cinema hebben gemaakt tot wat ze is. En elk van hen deed het op zijn eigen, onnavolgbare manier.

Welke Franse acteur is jouw favoriet?